Het Internet of Things heeft nog enkele belangrijke horden te nemen

Is het Internet of Things een hype of gaan we er rijk van worden? Volgens de onderzoekers Baily en Man­yika zijn er nog vele digitale en vooral organisatorische obstakels, maar het gaat er komen.

Productiviteitsparadox

Vier kopstukken

Het is alweer bijna dertig jaar geleden dat de Amerikaanse economen Robert Solow en Stephen Roach veel stof deden opwaaien door te betogen dat de vruchten van de vele miljarden dollars die in informatietechnologie werden geïnvesteerd, niet terug te zien waren in de productiviteitsontwikkeling. Bedrijven kochten ieder jaar miljoenen computers en Microsoft was net naar de beurs gegaan, wat Bill Gates zijn eerste miljard opleverde. Desondanks toonden Amerikaanse statistieken, in wat bekend zou worden als de ‘productiviteitsparadox’, dat de groei van de productiviteit niet alleen niet versnelde, maar zelfs afzwakte. ‘Je ziet het computertijdperk overal terug’, zo schreef Solow spottend, ‘behalve in de productiviteitsstatistieken.’

Vandaag lijken we voor een vergelijkbaar historisch moment te staan met een nieuwe innovatie: het volop gehypte Internet of Things, waarbij machines en voorwerpen onderling zijn verbonden via digitale netwerken. Dankzij sensoren, tags en andere met internet verbonden gadgets kan de fysieke wereld nu worden gedigitaliseerd, bewaakt, gemeten en geoptimaliseerd. Net als voorheen het geval was bij computers, lijken de mogelijkheden van het Internet of Things onbegrensd en zijn de voorspellingen buitensporig. Maar ook nu laten de data nog geen stijging van de productiviteit zien. Een jaar geleden plaatste onderzoeksbureau Gartner het Internet of Things bovenaan in zijn ‘Hype Cyclus van opkomende technologieën’.

Nu er steeds meer twijfels rijzen over de productierevolutie van het Internet of Things is het goed om in herinnering te roepen wat er gebeurde toen Solow en Roach in 1987 de productiviteits­paradox van de computer vaststelden. Opvallend is allereerst dat bedrijfsleiders de productiviteitsparadox grotendeels negeerden en aangaven dat zij wel degelijk verbeteringen zagen in de kwaliteit en snelheid van hun bedrijfs- en besluitvormingsprocessen. De investeringen in informatie- en communicatietechnologie bleven toenemen, ook al was er geen macro-economisch bewijs dat dit iets opleverde.

Dit bleek de juiste aanpak. Eind jaren negentig wisten de economen Erik Brynjolfsson en Lorin Hitt, ook uit de VS, de productiviteitsparadox te weerleggen door tekortkomingen te identificeren in de wijze waarop productiviteit in de dienstensector werd gemeten en, belangrijker nog, door te wijzen op de doorgaans lange tijdsspanne tussen investeringen in technologie en een stijging van de productiviteit.

Eigen onderzoek in die periode liet eind jaren negentig een grote productiviteitssprong zien, die voornamelijk het gevolg was van efficiëntieverbeteringen die mogelijk waren gemaakt door eerdere investeringen in informatietechnologie. Deze stijging was in verschillende sectoren zichtbaar, waaronder retail, groothandel, financiële dienstverlening en de computerindustrie zelf. Niet de informatietechnologie zelf, maar juist de combinatie ervan met procesveranderingen en innovatie op organisatorisch en managementvlak leverde de grootste productiviteitsverbeteringen op.

Uit ons meest recente onderzoek, The Internet of Things. Mapping the Value Beyond the Hype, blijkt dat een vergelijkbare cyclus zich nu kan herhalen. Wij voorspellen dat de transformatie van fabrieken, woningen en steden door het Internet of Things een nog grotere economische waarde zal opleveren dan de hype doet vermoeden. Volgens onze ramingen bedraagt de economische impact tegen 2025 tussen de € 3,9 tot € 11,1 triljoen per jaar, ruwweg 11% van het mondiale bbp. Tot het zover is, krijgen we echter waarschijnlijk te maken met een nieuwe productiviteitsparadox, want het duurt enige tijd voordat voordelen als gevolg van veranderingen in de manier waarop bedrijven werken op macro-economisch niveau zichtbaar worden.

Om de productiviteitswinst niet te vertragen, is het noodzakelijk om te komen tot interoperabiliteit. Sensoren in auto’s sorteren meteen effect door de motor te controleren, onderhoudskosten te verlagen en de levensduur van de auto te verlengen. Nog grotere verbeteringen zijn mogelijk door de sensoren te koppelen aan verkeerscontrolesystemen, wat de reistijd voor vele duizenden automobilisten verkort, energie bespaart en minder belastend is voor het milieu. Voorwaarde hiervoor is wel dat autofabrikanten, vervoersbedrijven en ingenieurs gaan samenwerken aan verkeersmanagementtechnologieën en -protocollen.

Maar liefst 40% van de potentiële economische waarde van het Internet of Things hangt volgens onze schattingen af van interoperabiliteit. Sommige elementaire bouwstenen voor interoperabiliteit ontbreken echter nog. In twee derde van de zaken die kunnen worden verbonden, worden niet de standaardinternetprotocolnetwerken gebruikt.

Andere omstandigheden die het realiseren van het volledige potentieel van het Internet of Things in de weg staan, zijn bijvoorbeeld de noodzaak van privacy- en gegevensbescherming en lange investeringscycli op het gebied van infrastructuur, waar het vele jaren kan duren om legacysystemen te moderniseren. Bijzonder lastig zijn de uitdagingen wat betreft veiligheid, omdat het Internet of Things de kans op cyberaanvallen en de gevolgen van een inbreuk vergroot.

Maar evenals in de jaren tachtig liggen de grootste belemmeringen voor het realiseren van het volledige potentieel van de nieuwe technologie op organisatorisch vlak. Sommige productiviteitsverbeteringen van het Internet of Things vloeien voort uit het gebruik van data om veranderingen in processen te sturen en nieuwe bedrijfsmodellen te ontwikkelen. Op dit moment worden maar weinig data gebruikt die binnen het Internet of Things worden verzameld, en dan ook nog eens alleen op elementaire wijze, zoals voor het opsporen van afwijkingen in de prestaties van machines.

Het kan nog wel even duren voordat dergelijke data routinematig worden gebruikt om processen te optimaliseren, voorspellingen te doen of besluitvorming te ondersteunen: toepassingen die leiden tot daadwerkelijke verbeteringen en innovaties. Maar dat dit gaat gebeuren, staat vast. En net als bij de invoering van de informatietechnologie in de jaren tachtig zullen ook nu de eerste bedrijven die het Internet of Things succesvol weten te implementeren vermoedelijk grote voordelen behalen, wat hun een flinke voorsprong geeft op de concurrentie tegen de tijd dat het belang van de verandering tot iedereen doordringt.

Bron: FD, 12 september 2015